Als starten niet vanzelf gaat
Over kinderen die willen, maar vastlopen in hun hoofd
In een eerdere blog schreef ik over aandacht, en hoe moeilijk het soms is om erbij te blijven in een wereld vol prikkels. Maar voor sommige kinderen begint de uitdaging nog eerder.
Niet bij het volhouden.
Maar bij het starten zelf.
"Kom op, we moeten gaan."
Je zegt het, kijkt om je heen en ziet het gebeuren. Je kind is nog bezig met iets anders. Blijft hangen. Begint wel, maar raakt afgeleid. Of lijkt gewoon niet op gang te komen.
En ondertussen tikt de tijd door.
Niet omdat je kind niet wil.
Maar omdat starten niet vanzelf gaat.
Veel ouders herkennen dit. Het moment waarop iets ogenschijnlijk eenvoudigs — aankleden, de tas pakken, beginnen aan huiswerk — ineens stroef verloopt.
Wat voor het ene kind een routine is, kan voor een ander voelen als een wirwar van losse stappen.
Wat moet ik eerst doen?
Waar ligt mijn tas ook alweer?
O ja, mijn gymspullen… en mijn broodtrommel nog…
Ondertussen gebeurt er van alles. Je kind raakt afgeleid, verliest het overzicht of voelt de spanning oplopen.
En voor je het weet zeg je: "Schiet nou eens op," terwijl je kind zelf al voelt dat het niet lukt.
Wat van buiten lijkt op traagheid of uitstelgedrag, is van binnen vaak onoverzicht.
Te veel tegelijk.
Te weinig houvast.
Soms is niet beginnen geen keuze, maar een vastloper in het hoofd.
Dit heeft te maken met executieve functies — de regelfuncties van het brein. Ze helpen je om te plannen, overzicht te houden, te starten en door te gaan als iets lastig wordt.
Bij sommige kinderen zijn deze functies nog volop in ontwikkeling of gewoon kwetsbaarder. Dat betekent niet dat ze niet meewerken. Het betekent dat het hen meer moeite kost om alles vanbinnen te organiseren.
Als je dit zo bekijkt, verandert ook hoe je reageert.
Niet: "Schiet eens op, we moeten weg."
Maar: "Ik help je even op weg."
Want wat deze kinderen nodig hebben, is geen extra druk, maar duidelijke structuur. Structuur buiten het kind, zodat het vanbinnen minder hoeft te regelen.
Dat kan al in kleine dingen zitten. Eén stap tegelijk benoemen. Samen even beginnen. Of een vaste volgorde aanhouden.
"Eerst je schoenen."
"Dan je jas."
"Daarna pakken we samen je tas."
Simpel.
Maar voor een kind dat vastloopt, maakt dat het verschil tussen blijven hangen en verder kunnen.
Ook voorspelbaarheid helpt. Weten wat er komt, wat er verwacht wordt en waar je aan toe bent, geeft rust. En misschien nog wel belangrijker: het geeft vertrouwen.
Want veel van deze kinderen merken zelf ook dat het niet vanzelf gaat. Ze willen wel, maar het lukt niet zoals bij anderen. En dat kan onzeker maken.
Juist daarom is het zo belangrijk dat we blijven zien wat eronder zit.
Gedrag is niet altijd onwil.
Soms is het onmacht.
Je kind doet niet moeilijk.
Je kind hééft het moeilijk.
En misschien helpt het om daar eens anders naar te kijken, op een ochtend waarop het stroef loopt. Wanneer je kind blijft hangen, niet begint of steeds opnieuw vastloopt.
Niet alles wat niet lukt, is onwil.
Soms is het simpelweg nog te ingewikkeld vanbinnen.
En misschien begint helpen dan niet met duwen,
maar met samen even de eerste stap zetten.
